|
“Een algemeen practicus moet zich realiseren dat kauwspieren heel anders functioneren dan bijvoorbeeld been- en skeletspieren. Als een patiënt bijvoorbeeld problemen heeft met een prothese, dan duren de problemen waarschijnlijk langer dan men zou verwachten op grond van de werking been- en skeletspieren”. Volgens Hans Korfage is dit een van de lessen die algemeen practicus uit zijn promotieonderzoek kan trekken. Korfage, werkzaam bij de researchgroep functionele anatomie van Acta, promoveerde dinsdag 14 september aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) op zijn proefschrift Myosin heavy chain composition of the human jaw muscles. Voor zijn onderzoek bekeek hij de vezelsamenstelling van de verschillende humane kauwspieren om meer inzicht te krijgen in de functionele en anatomische verschillen tussen de spieren en de factoren die hierop van invloed zijn. Een van de uitkomsten van deze vergelijking is dat kaaksluitspieren meer langzame vezels hebben. Daarom zijn de kaaksluiters meer geschikt voor het uitoefenen van langzame en langdurende contracties, terwijl de kaakopeners juist meer geschikt zijn voor snelle en kortdurende contracties.
Een algemeen practicus moet zich realiseren dat kauwspieren heel anders functioneren dan bijvoorbeeld been- en skeletspieren. Als een patiënt bijvoorbeeld problemen heeft met een prothese, dan duren de problemen waarschijnlijk langer dan men zou verwachten op grond van de werking been- en skeletspieren”. Volgens Hans Korfage is dit een van de lessen die algemeen practicus uit zijn promotieonderzoek kan trekken. Korfage, werkzaam bij de researchgroep functionele anatomie van Acta, promoveerde dinsdag 14 september aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) op zijn proefschrift Myosin heavy chain composition of the human jaw muscles. Voor zijn onderzoek bekeek hij de vezelsamenstelling van de verschillende humane kauwspieren om meer inzicht te krijgen in de functionele en anatomische verschillen tussen de spieren en de factoren die hierop van invloed zijn. Een van de uitkomsten van deze vergelijking is dat kaaksluitspieren meer langzame vezels hebben. Daarom zijn de kaaksluiters meer geschikt voor het uitoefenen van langzame en langdurende contracties, terwijl de kaakopeners juist meer geschikt zijn voor snelle en kortdurende contracties.
PEILSTATION-TANDARTSEN OVER TANDTECHNISCHE LABORATORIA De meerderheid (71 %) van de professie werkt samen met meer dan één tandtechnisch laboratorium. Veel tandartsen (62 %) vinden het niet prettig als laboratoria het werk (deels) uitbesteden aan andere laboratoria. Als tandartsen overwegen de samenwerkingsrelatie met een laboratorium te veranderen, is dat meestal (46 %) vanwege de kwaliteit van het werk.
Tandtechnisch werk is een aanzienlijke kostenpost binnen de tandheelkundige praktijkvoering. Omdat er niettemin weinig bekend is over e prijs/kwaliteitverhouding van dat werk en over hoe de samenwerking tussen tandarts en tandtechnicus verloopt, is hiernaar via de Omnibus-enquête onderzoek gedaan. Voor dit onderzoek zijn in december 2003 677 tandartsen benaderd, van wie er 477 daadwerkelijk aan de enquête hebben deelgenomen.
Samenwerking Alle tandartsen laten tandtechnisch werk (deels) over aan een tandtechnicus. Zoals figuur 1 laat zien, werkt 29 % samen met één tandtechnisch laboratorium en 71 % met twee of meer tandtechnische laboratoria. Met betrekking tot die samenwerking zegt 62 % van de ondervraagde tandartsen alleen naar aanleiding van een bepaald werkstuk, overleg te hebben met een tandtechnicus. Ruim eenvijfde (21 %) voert daarnaast ook periodiek overleg en 11 % heeft standaard bij elke opdracht contact, terwijl 6 % alleen periodiek overleg heeft (zie figuur 2). Daarbij hebben acht van de tien (83 %) ondervraagden naar eigen zeggen in de week vóór de enquête nog contact gehad met een tandtechnicus die voor hen werkt. Tijdens dit laatste overleg is vooral gesproken over de kwaliteit van de vervaardiging van een bepaald werkstuk (49 %) en over de daarbij gebruikte of te gebruiken techniek (47 %). In het algemeen zijn tandartsen tevreden over de kwaliteit van het werk dat hun laboratoria leveren: het laboratorium weermee het meest wordt samengewerkt, krijgt gemiddeld het rapportcijfer 8,0. Naast uiteraard de kwaliteit van het werkstuk worden in dat oordeel vooral het nakomen van afspraken, de bereidheid tot overleg en afstemming, het materiaalgebruik, de nazorg en de garantie betrokken. Tandartsen zijn overigens graag vrij in de keuze van een laboratorium: 84 % zou geen gehoor geven aan een verzoek van een zorgverzekeraar om met een bepaald laboratorium in zee te gaan, 8 % zou dat alleen op bepaalde voorwaarden doen en ook 8 % heeft hierover geen mening.
Uitbesteden De meeste (62 %) ondervraagde tandartsen zijn er geen voorstander van dat een laboratorium waarmee zij samenwerken tandtechnische werkzaamheden uitbesteedt aan andere laboratoria. Slechts 6 % staat positief tegenover uitbesteding en 32 % oordeelt neutraal of heeft geen mening. Overigens geeft 54 % aan wel samen te werken met een laboratorium dat bepaalde werkzaamheden uitbesteedt. Ruim acht van de tien (81 %) ondervraagde tandartsen willen graag volledig op de hoogte zijn van het productieproces van werkstukken als de tandtechnische laboratoria waarmee zij samenwerken werkzaamheden uitbesteden.
Kosten Bijna alle (99 %) tandartsen zeggen dat de tarieven van de tandtechnische laboratoria waarmee zij samenwerken, in de afgelopen drie jaar zijn gestegen. Volgens ongeveer de helft van hen (49 %) gaat het daarbij zelfs om een stijging met meer dan 10 %. Verder heeft 35 % gemerkt dat er in de eigen regio sprake is van grote tariefsverschillen tussen laboratoria, vaak geldend voor alle werkzaamheden. Daarentegen zegt 25 % dat er geen sprake is van dergelijke verschillen en weet 40 % niet of dit wel of niet het geval is. Van de ondervraagde tandartsen vindt 42 % het wenselijk dat tandtechnische laboratoria hun tarieven transparanter maken via meer gespecificeerde rekeningen. Verder staat 43 % hier neutraal tegenover of heeft in deze geen mening, terwijl 15 % zulke rekeningen juist onwenselijk vindt. Veranderingen De meest (69 %) tandartsen hebben in de afgelopen twee jaar niet overwogen om een samenwerkingsverband met een tandtechnisch laboratorium aan te gaan of op te zeggen. Daarentegen dacht 16 % over het aangaan én verbreken van samenwerking, 8 % alleen over het verbreken en 7 % alleen over het aangaan van samenwerking (zie figuur 3). De meest (49 %) genoemde reden van zo’n eventuele verandering, is de kwaliteit van de werkstukken. Veel minder vaak gaat het om de prijs ervan (12 %) of om de verhouding prijs/kwaliteit (10 %).
Conclusies Tandartsen hechten aan een goede samenwerkingsrelatie met hun tandtechnisch laboratorium en aan zicht op het productieproces van werkstukken. Het lijkt er verder sterk op dat tandartsen zelf willen bepalen hoe zij de samenwerking met tandtechnische laboratoria gestalte geven. Zij voeren daarin althans een sterk individuele koers. Doorgaans hebben tandartsen vrij frequent contact met de technicus. Voor de keuze van tandtechnisch laboratorium zijn iet zozeer de tarieven van tandtechnisch werk, maar vooral de kwaliteit van de werkstukken voor tandartsen belangrijk. Bij een belangrijk deel van de tandartsen bestaat bovendien weinig zicht op de regionale tariefverschillen tussen laboratoria.
Bron;Joost den Boer en Brigitte van Dam, NMT Onderzoek & Informatievoorziening KG, Nederlands Tandartsenblad 17 september 2004
Je hebt niet de vereiste permissies om de aan dit bericht toegevoegde bestanden te zien.
_________________ Deze site informatie die uitsluitend bedoeld is voor educatieve / informatieve doeleinden. Deze informatie is zeker niet bedoeld als medisch advies. Raadpleeg altijd een (tand-)arts indien u twijfelt aan uw gezondheid.
|